19e eeuw

Levensbeschrijvingen van voorouders uit de 19e eeuw

VI 3                          Neelina Petrina   (1808-1848)

Op haar doopakte (van voor de invoering van de Burgerlijke Stand) staan de ouders vermeld als Nicolaas de Gaay Fortman en Agatha Catharina van Amerom. Op 27 sept. 1829 vroeg zij van de Nederduitsch Hervormde Kerk te Veenendaal attestatie naar Hoorn. In April 1842 moest zij haar betrekking als gouvernante bij de kinderen van ds. Suringar verlaten, omdat men haar godsdienstige gevoelens overdreven vond, zij niet vrolijk en niet netjes genoeg was, hetgeen zij zelf toegaf. Op 4 juni 1842 vertrok zij met de Anne en Marie van de haven Nieuwe Diep (Zeeburg – Amsterdam-Oost) naar Paramaribo om eenzelfde betrekking te aanvaarden bij de kinderen van ds. Andries Roelofsz. (eerst predikant te Vinkeveen, van 1827-1851 predikant bij de Hervormde gemeente te Paramaribo, in 1875 overleden). 27 maart 1843 verliet zij Suriname reeds weer en wel met hetzelfde schip, dat haar 8 mei te Nieuwe Diep aan land zette. Zij was bekend met mr. Isaac Da Costa. Aan deze schrijft op 17 mei 1843 uit Zeist P. Raillard Johz. van de Herrnhutterzending: ‘Die Brüder Treu u. Gerschwitz in Suriname schreiben mir beide von einer Jufvrouw Fortman, welche 3/4 Jahr in Paramaribo bey Dom. e Roelofsz als Gouvernante gestanden habe und nun (mit dem gleichen Schiffe das uns Briefe brachte) nach Europa zurückkehre. Sie schildern die selbe als eine eben so geschickte als christlich gesinnte und den Heiland liebende und bekennende Seele, die ihren Umgebungen zum Segen war, oder doch zu seyn suchte und deren Rückkehre nach Europa ihr nur Ehre mache, als eine Folge ihres Bekentnisses des Namens Jesu mit Wort u. That…. Die Bruder melden mir auch, dass diese Jufvrouw Fortman mit Ihnen, l. Doct. r genau bekannt sey. – Da mir nun gleich der Gedanke aufstieg, ob uns vielleicht der Herr in dieser Jufvr. eine Erzieherin zuführen wollte, wie wir deren eine bedürften, so kan ich nicht unter-lassen, mich deshalb an SIE zu wenden,- indem ich nicht zweifle, in Amsterdam glücklich angelangt, werde Jufvr. FORTMAN gewiss auch SIE besucht haben, und SIE somit auch etwas uber dieselbe zu sagen im Stande seyn. ’. Deze brief berust in het archief-Da Costa. Uit een andere brief in dat archief van 10 okt. 1843 van mevrouw H. S. van Hall-Van Schermbeek (weduwe van den Afgescheiden mr. A. M. C. van Hall) aan Da Costa blijkt, dat zij toen bij haar voor de kinderen was. Intussen stierf Mevr. van Hall 27 jan. 1844. In de acte van haar overlijden wordt zij genoemd Neline Petronella.

VI 4                          Hendrika Wilhelmina   (1809-1880)

Hendrika had belangstelling voor schilderkunst; ze schilderde ook zelf. Fig. 14 Frederik H. Hendriks

Haar echtgenoot, de kunstschilder Hendriks[8], is geschetst door zijn leerling J. J. Cremer, Frederik Hendrik Hendriks. De schilder van Wolfhezen (Arnhem H. B. Breijer, 1865). Geboren en opgegroeid te Arnhem kreeg hij les op de tekenschool van het genootschap Kunstoefening. Hendrik Jan van Amerom leidde hem op tot schilder. Hij werkte een tijdlang in Amsterdam en was daar succesvol. Hendriks had Hendrika de Gaay Fortman in Leiden ontmoet bij haar tante van Amerom, weduwe van de tekenmeester. Ze trouwden in Leiden op 20 aug. 1840. In 1841 vestigde het jonge gezin zich te Oosterbeek. Van hier uit maakte Hendriks zijn Veluwse landschappen. [9] [10]

Fig. 15 F. Hendriks, Landschap met twee figuren en ezel

Het echtpaar verkeerde in kringen der van de Hervormde Kerk afgescheidenen en de ‘Zendingskerk’ van Ds. Witteveen in Ermelo. In 2011 werd Hendriks’ werk nog geëxposeerd in Kasteel Doorwerth, volgens het Reformatorisch Dagblad een laat blijk van erkenning voor een man die in zijn tijd als ‘zwartjas’ werd gezien. [11] Uit dit huwelijk zijn 8 dochters geboren: zie hoofdstuk II, Vrouwelijke lijn, VI 4. (zie ook IX).

VI 8                         Cornelia Agatha Diderika   (1818-1908)

Oudtante van Jeanne, Bé en Juul, door hen tante Keetje genoemd. Woonde laatstelijk in de Groeneveldstichting te Leiden. Overleed aldaar ongehuwd. Is 12 okt. 1908 begraven te Leiden op de Nieuwe begraafplaats van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap aan de Groenesteeg in graf nr. 186.

VI 9                          Klasina Jacoba Catharina   (1821-1845)

In het familiearchief is een preek van haar broer (Vll quater), uitgesproken op zondagvoormiddag 2 nov. 1845 te Banda Neira (Nedl. Indie), na de ontvangst van het bericht van het overlijden van deze zuster (op 22 jan. van dat jaar). De leerrede, over Hebr. XIII vers 14, is getiteld Bemoedigend uitzigt voor den Christen op het hemelsch vaderland.

VII                            Jacobus Cornelus Hendrik   (1804-1851)

Jacobus is gedoopt 3 jan. 1805 in de Marekerk te Leiden. Als leerling op de Leydsche Departementsschool ontving hij 14 mei 1817 een ‘Eereprijs gegeven door de Maatschappij tot nut van ’t algemeen’, ‘voor zijne gemaakte vorderingen’. In het Album civium academicorum te Leiden komt hij aldus voor: Jacobus Cornelis Hendrik de Gaai Fortman aet. l6. a. L. e. T. hum. a. rectore magn. Joanne Clarisse ao. 1821; 3 sept. Lugd. Batavus. Volgens een aantekening zou hij meegedaan hebben aan den Tiendaagschen veldtocht, en gouverneur geweest zijn bij dr. Mirandolle te ‘s-Gravenhage. 22 jan. 1835 promoveerde hij te Leiden op eene Disputatio literaria de Hierone Hieroclis filio Syracusano. In de Enkhuizer Almanak van 1838 komt van zijn hand een gedicht Het metalen kruis’ voor over de Tiendaagse veldtocht (‘Goddank, ik was erbij!’). Aan de Hervormde gemeente te Veenendaal vraagt hij 17 jan. 1839 attestatie naar ‘s-Gravenhage. In 1846/7 schreef hij een Leerboek der Grieksche taal (waarvoor hij een honorarium van f. 20,- per vel kreeg). Uit een krantenknipsel van de Kamper Courant van 9 oktober 1851: Zwolle, 2 october 1851: ‘Onder de verdienstelijke mannen, wier verlies de Stad Zwolle in de laatste jaren te betreuren heeft, tellen wij dezer dagen den Heer J. C. H, de Gaay Fortman, Praeceptor aan de Latijnse scholen alhier. Na eene langdurige uitterende ziekte, die dezen slag reeds geruime tijd deed vreezen, overleed hij op den 28 September in den ouderdom van 44 [moet zijn 46] jaren, een leeftijd die nog zooveel goeds van zijn hand kon doen verwachten. Aan grondige taalstudie paarde hij een buitengewone ijver in de behartiging van het hem opgedragen onderwijs, en wist hij zijne leerlingen eene warme liefde voor de oude letteren in te boezemen. De door hem uitgegevene Grieksche Grammatica zal een blijvend gedenkteeken zijn van de zeldzame hoogte waarop hij zich als taalvorscher had weten te verheffen. De 3e uitgave van dit werk verlaat eerlang de pers onder toezicht van zijnen boezemvriend, den Hoogleeraar Cobet. Schoon voortdurend in nederigen werkkring geplaatst, bezat Nederland in hem een geleerde van den ouden klassieken stempel, gelijk er niet velen meer worden gevonden. Die het voorregt hadden hem meer van nabij te kennen en te kunnen waardeeren, bewonderen in hem eene zeldzame kennis van velerlei vakken van wetenschap, en den praktischen geest, waardoor hij haren rijkdom ten algemeenen nutte wist aan te wenden. Vurig beminnaar van zijn Vaderland, heeft hij door zijne werkzaamheid in uitgebreiden kring, meer bijgedragen tot de ontwikkeling van onzen politieken toestand, dan velen gereed zijn te erkennen, of de meesten weten. Meer dan eene nuttige inrigting verliest in hem eenen krachtigen voorstander, terwijl zijn dood voor echtgenoote en kinderen een onherstelbaar verlies is. Zijn lijk werd heden ten grave geleid door zijne betrekkingen, de leermeesters en leerlingen der Latijnsche scholen, en een rei van vrienden, voor wien het behoefte was hunnen vriend deze laatste eer te bewijzen, en die hem nimmer zullen vergeten’. Hetgeen in dit bericht wordt gezegd van zijn aandeel in de ontwikkeling van de politieke toestand, ziet waarschijnlijk op zijn werkzaamheid aan de redactie van het dagblad Overijssel. Over hem vindt men een levensbericht van de hand van dr. W. H. D. Suringar (zie diens levensbericht in de Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1895/6, blz. 324), in de Bijdragen tot de kennis en den bloei der Nederlandsche Gymnasium voor 1951, blz. 210-216. Daaruit blijkt nog, dat hij oorspronkelijk door zijn vader is bestemd geweest voor de theologische studiën. Dr. Suringar meent ‘den man te moeten beklagen, die door tijdsomstandigheden gedrongen werd zulk een slaafschen arbeid op zich te nemen en daardoor tegen wil en dank verhinderd werd zijnen onmisbaren tijd te kunnen toewijden aan de beoefening der oude literatuur, die zijne geliefkoosde bezigheid uitmaakte’. Inwonende bij zijn grootouders (Van Amerom) te Leiden, bezocht hij daar de Latijnse school. Zijn huisonderwijzersschap bij dr. Mirandolle begon in 1828. Na zijn terugkeer van de Belgische veldtocht was hij tot zijn promotie leraar in de Oude talen op het instituut van den Heer ’t Hoen te Hattem. Op het huwelijk van J. C. H. de Gaay Fortman en E. A. de Vri is door een broer van de bruid een ‘Heilbede, toegezongen’. Deze bevindt zich met een fragment van andere op de bruiloft gezongen liederen in het familiearchief. Volgens de overlevering is de zoon Nicolaas Jan Herman naar Amerika vertrokken. Zijn zuster heeft daarheen tot 1867 met hem een briefwisseling onderhouden. Zijn laatste brief aan haar was van 9 mrt. 1867 en geschreven uit Chimacum Valley[12]. Een brief later daarheen geschreven kwam onbestelbaar terug, ofschoon hij in de genoemde brief van 9 maart 1867 juist geschreven had, dat zij moest voortgaan met hem te schrijven daar hij zorgen zou dat, indien hij van daar mocht vertrekken haar brief hem zou bereiken. Navraag bij de Nederlandse consul heeft geen gevolg gehad.

VII 3                          Anette Agatha Catharina   (1842-1916)

Uit het huwelijk van A. A. C. de Gaay Fortman en dr. Izak Gerrit van Eyken zijn 5 dochters en 1 zoon geboren (zie hfd. 2, VII 3). Van de oudste en de 3 jongste dochters zijn de data van overlijden niet terug te vinden. De jongste drie zouden in 1945 nog te ‘s-Gravenhage wonen, blijkens de aanvullingen uit 1945 op de genealogie van 1934.

VII bis                       Cornelis Hendrik Jacobus   (1812-1852)

Cornelis werd gedoopt te Veenendaal 7 juni 1812. Van 1829-1839 was hij in Nederlandse krijgsdienst, laatstelijk als sergeant te Maastricht. Om promotie te maken tekende hij voor Indië; 28 aug. 1839 vertrok hij met het schip de Schoon Verbond vanuit de haven Nieuwe Diep (Zeeburg, Amsterdam-Oost). 3 jan. 1840 kwam hij in Indië aan; van deze reis bestaat een dagboek. 16 juni 1839 vroeg hij te Veenendaal attestatie naar Indië. Begraven te Leiden, 4 dec. 1852. Zijn ‘staat van dienst’, die als geboortedatum 23 mei 1812 vermeld, luidt volgens inlichtingen van het Krijgskundig Archief te ‘s-Gravenhage: milicien 13e afdeling Infanterie, 2 Mei 1832, Korporaal 21 april 1833, sergeant 1 sept. 1835, overgeplaatst N. O. I. leger 13 maart 1839, 2e Luitenant bij het derde Bat. Inf. 28 April 1840, Adjudant 4 nov. 1841, eervol vermeld bij de eerste expeditie tegen Bali in 1846, op verzoek eervol ontslag 24 Sept. 1846. Mevrouw Van Nieuwenhoven Helbach-Krull, gehuwd met een zoon uit het huwelijk van de weduwe de Gaay Fortman-Koster met mr. P. J. J. van Nieuwenhoven Helbach, geeft hem op als ‘lid van de firma De Wendt en Ruyl Co. te Batavia’. Is deze mededeling juist, dan is hij misschien de schrijver van twee vlugschriften De Nederlandsche Handelsmaatschappij in Nederlandsch-Oost-Indië en Voorstel tot een verbeterde inrigting der Koffieveilingen. Het laatste geschrift, Amsterdam 1847, komt voor bij Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handelsmaatschappij 1824-1924, II, blz. 191; het andere, Deventer, A. ter Gunne 1848, is aanwezig in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam. Beide zijn naamloos uitgegeven, maar staan toegeschreven aan J. C. W. de Gaay Fortman, voorletters die ten enenmale onbekend zijn. Het ‘Voorstel’ wordt geciteerd in ‘Over den prys der Java-koffy van verklarende voetnoten voorzien door B. de Gaay Fortman’, opgenomen in ‘Het pak van Sjaalman’, De Gids Jaargang 187 (1984)[13]. Uit het huwelijk met Femina Koster werd 1 dochter geboren: Agatha Hendrica Gerardina, geb. 5 sept. 1852 te Leiden, overleden te Semarang 14 nov. 1859. Van deze Agatha Hendrica Gerardina is een schilderijtje ‘geschilderd door haren neef den kunstschilder Otto van Amerom January 1853’, in familiebezit. C. H. J. de Gaay Fortman overleed 30 nov. 1852 te Leiden en is aldaar 4 dec. 1852 begraven op ‘de Nieuwe Begraafplaats’ van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap aan de Groenesteeg in graf no. 186.

VII ter                            Willem Jan Adriaan   (1814-1856)

Fig. 17 Positie fregatschip Bato

Over Willem Jan  is, ofschoon de weduwe eerst in 1899 en de zoon (VIII) in 1916 overleed, niets bekend, anders dan dat hij in het bevolkingsregister van het dorp Ede in 1828 voorkomt als Jan Willem Adriaan de Gaay Fortman, met als adres de in die tijd bekende kostschool van Anna Maria Moens. Willem Jan overleed 25 april 1856 aan boord van het fregatschip Bato op 9° 40’ NB en50’ OL Greenwich. Zijn zeemansgraf ligt daarmee in de Baai van Bengalen, tussen de Andamaneilanden en Sri Lanka.

VII quater                       Pieter Leonard   (1817-1876)

Fig. 19 Geboorteakte van Pieter Leonard (1817)

Gedoopt te Veenendaal 2 maart 1817. [14] Hij is op 17 sept. 1833 te Leiden als student in de theologie ingeschreven onder het rectoraat van J. Nieuwenhuis. In 1841 was hij hulpprediker te Woubrugge (zie O. C. van Hemessen, Jacobswoude en Woubrugge, 1932, blz. 143 die nog opgaf uit het kerkelijk archief: ‘De Gemeente gevoelt zich verplicht, hier openlijk haren dank te betuigen aan den Weleerw. Heer P. L. de Gaay Fortman, kandidaat tot den H. Dienst in den laatsten levenstijd haars ouden leeraars (ds. J. Heenk, 1797-1840) door zijne voortreffelijke leerredenen bewezen’), in 1841 te Hattem en in 1842 te Bussum. Uit deze laatste plaats is 24 febr. 1843 een brief van hem gedagtekend aan zijn moeder, waarin hij over zijn aanstaand vertrek naar Indië schreef. 24 sept. 1843 vertrok hij met de Sara Johanna. Fig. 18 Pieter Leonard (1817-1876)

Achtereenvolgens stond hij: 1844 te Banda Neira, 1851 Soerakarta, 1853 Pasoeroean, (1857 verlof), 1859 Makassar, 1864 Semarang, (1866 verlof), 1867 Batavia waar hij 29 dec. zijn intree deed in de Willemskerk met een leerrede over de heerlijkheid der evangeliebediening naar aanleiding van 2 Corinthe 4 vers 1. Zijn tweede echtgenote, Cecilia Cornelia, was wellicht een dochter van zijn collega Lammers van Toorenburg die ten tijde van dit huwelijk in Batavia stond. In Indië was hij lid (1845) van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. In 1872 keerde hij, met emeritaat, naar het vaderland terug. Hij is 13 nov. 1876 te Leiden begraven op de ‘Nieuwe Begraafplaats van het Nederduitsch-Hervormd kerkgenootschap aan de Groenesteeg in graf no. 186.

VII quater 3                Adriana Cornelia  (1850-1935)

Zij nam een werkzaam aandeel in velerlei christelijk-filantropisch werk te Leiden als fabrieksschool, moederkring, zondagsschool, wijkwerk, ziekenverpleging. Die drohung sei am hausarbeit schreiben lassen kosten vormittag telefonisch eingegangen, teilte die polizei mit. Zij woonde te Leiden aan de Heerengracht 29, en werd begraven op de begraafplaats Rhijnhof in graf no. 133 op 16 april 1935.

VII quater 6                Antoinette Pauline Hendrika   (1861-1935)

Woonde ongehuwd te ‘s-Gravenhage, te Apeldoorn(1927-1934), waarna weer te ‘s-Gravenhage, alwaar zij 19 jun. 1935 op Nieuw Eykenduinen is begraven.

VIII                                Jean Henri Zacharie Alexandre   (1853-1926)

Hij was blijkens zijn huwelijksakte reiziger; zou later in militaire dienst zijn overgegaan en deze als onderofficier verlaten hebben. Van1913 tot 1923 verbleef hij bij het Leger des Heils te Rotterdam, waar hij met administratieve werkzaamheden was belast. Uit het huwelijk van zijn dochter Witje de Gaay Fortman en J. B. Bloemendaal is 20 nov. 1915 te Haarlem een dochter Gerdina geboren.

VIII bis                       Nicolaas Adriaan   (1845-1927)

Fig. 20 Nicolaas Adriaan

Vertrok in 1855 met de Nederland en Oranje naar Nederland; kwam te Leiden inwonen bij zijn grootmoeder (VI) en tante (VI 8), bezocht daar de lagere school en de eerste klassen van het gymnasium; ging daarna wonen bij zijn oom Hendriks (VI 4) en bezocht het gymnasium te Arnhem. Was van 1864-1870 student te Utrecht. In het familiearchief bevindt zich zijn Utrechtse Studentenalmanak van 1868. Hij was lid van Secor Dabar (‘Gedenk het Woord’), theologisch-litterarisch gezelschap van het Utrechtsch Studenten Corps. Werd in 1871 predikant bij de Hervormde kerk te Vleuten, waar hij 19 februari zijn intree deed met een preek naar aanleiding van Johannes 12 vs. 28a ‘Vader! verheerlijk uwen naam’, na bevestigd te zijn door prof. dr. J. I. Doedes met een preek over Lucas 12 vs. 42-44. Nam 2 aug. 1874 afscheid van Vleuten, gedrukte preek De laatste bede eens scheidenden leeraars voor zijne eerste gemeente. Fig. 21 Ned. Herv. Bonifatiuskerk te Elden

Werd daarna predikant te Elden (1874-1878),  en achtereenvolgens te Vlissingen (1878-1884, 17 aug) en van 1884-1922 te Amsterdam, sinds de doleantie (1886) in de Gereformeerde kerk. Woonde sindsdien te ‘s-Gravenhageaan de Galilëistraat 16. Hij werd 23 febr. 1927 aldaar op Nieuw Eykenduinen begraven. Van zijn werkzaamheid buiten het predikambt mag, zonder kans op volledigheid, genoemd de catalogisering der bibliotheek van den bijzonderen kerkeraad der Nederl. Herv. gemeente te Vlissingen (1882). Hij maakte daar geschiedkundige archiefstudies, die na zijn overlijden in handschrift zijn geplaatst in het rijksarchief te Middelburg, nadat de rijksarchivaris tevoren van de verzameling had inzage genomen; in zijn verslag noemt hij haar ‘van veel belang’. Voor  zijn talloze publicaties  zie een overzicht onder literatuur. Ontelbaar is ook het aantal spreekbeurten voor Patrimonium, Middernachtzending, Vrije Universiteit, Schoolraad, Kiesverenigingen. In 1891 richtte hij met de heren W. Hovy, P. N. de Vries Jr. , W. Kuyper, J. J. Grevers en ds. W. H. Gispen op de Gereformeerde vereeniging voor ziekenverpleging. In 1887 richtte hij het Christelijk toevluchtsoord De Johannesstichting op, waarvan hij tot zijn overlijden voorzitter is geweest. Zijn portret hierboven (met de bakkebaarden) werd geschilderd ter gelegenheid van zijn afscheid van de Johannesstichting. Het typeert hem als bestuurder.

 Fig. 22  Kinderen Nicolaas Adriaan & Theodoor Kocken  
  1. Eugenia Maria Frederika (Ea)
  2. Pieter Leonard (Leo)
  3. Julius Pieter (Juul)
  1. Bastiaan (Bé)
  2. Marie Louise (Loes)
  3. Adriana Cornelia (Jeanne)

Nelina Petrina (Lien) was nog niet geboren.

 

Fig. 23  D. G. F. Familie in het Oosterpark, Amsterdam

1e rij: Loes, Juul, Ea, 2e rij: Bastiaan, Theodora, Nicolaas Adriaan, Jeanne; 3e rij: Lien

VIII bis l                   Eugenia Maria Frederika   (1874-1901)

Fig. 24 Eugenia Maria Frederika Goester-de Gaay Fortman

Door haar vanuit Indië naar het vaderland teruggekeerde grootvader Pieter Leonard werd zij op zondag 18 oktober 1874 gedoopt met als tekst Marcus 10, 14: ‘Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. ’ Deze preek is uitgegeven. (Zie hieronder bij literatuur. )
Ea was zeer geliefd en haar vroegtijdig sterven in het kraambed dompelde de familie dan ook  in diepe rouw. Op de zondag na haar overlijden (22 december 1901) preekte haar vader in ‘zijn’ Amsterdamse Funenkerk. ‘Haar levenstaak’, zei hij, ‘was voor anderen aan alle donkere wolken de zilveren randen op te speuren. Zij volbracht haar reeds, zij het onbewust, toen zij door hare geboorte in de woning harer meer dan drie jaar wachtende ouders vreugde bracht. ’ Ook die preek is uitgegeven. (Zie hieronder bij literatuur. )

Nog lang werd gesproken over ‘tante Ea’. In Eugenia Maria Frederika de Gaay Fortman (Ea, 1950), achterkleindochter van haar ouders, leeft haar naam voort. Eugenia Maria Frederika is begraven op Zorgvlied (Nieuwer-Amstel). Haar weduwnaar, Leonard Emilius Goester, promoveerde 11 mrt. 1903 te Amsterdam tot doctor in de artsenijbereidkunde op een proefschrift Eenige Systematisch-anatomische onderzoekingen aangaande het geslacht Gomphocarpus. In 1902 was hij inspecteur der volksgezondheid te Zwolle geworden; in 1916 volgde zijn benoeming te ‘s-Gravenhage. 13 okt. 1920 aanvaardde hij het buitengewoon-hoogleraarsambt aan de Universiteit te Leiden, met een rede De ontwikkeling der pharmacognosie. In 1926 werd hij gewoon hoogleraar. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde hij Johanna Vreedenberg, uit welk huwelijk 1 zoon en 1 dochter zijn geboren. Hij werd begraven op Oud Eik en Duinen te ‘s-Gravenhage.

VIII bis 5                    Adriana Cornelia   (1880-1958)

Fig. 25 Adriana Cornelia Diepenhorst-de Gaay Fortman

Jeanne, zo luidde haar roepnaam, heeft in haar leven drie doelstellingen voor ogen gehad. Ten eerste de oprichting van een bond van christenvrouwen, in de tweede plaats de stichting van een christelijke organisatie voor blinden en ten slotte de oprichting van een christelijke vereniging voor huispersoneel. Van het laatste zei ze zelf later ‘Helaas ben ik daar nooit aan toe gekomen’. Achteraf bezien is het feit dat ze deze derde doelstelling niet heeft kunnen verwezenlijken niet zo heel erg, want in onze tijd bestaat er nauwelijks meer huispersoneel en zo’n vereniging zou nu geen levensvatbaarheid meer hebben – zo verwoordde het haar zoon Isaac Nicolaas Theodoor Diepenhorst in Zorgen door Zegen, een herdenkingsboekje uitgegeven in 1971 t. g. v. het 50-jarig bestaan van het Chr. Blindentehuis Sonneheerdt. Zij was een van de oprichters van de Nederlands Christen Vrouwenbond (NCVB), opgericht 1 oktober 1919. Tot 1930 was zij secretaresse (secretaris) van het Hoofdbestuur, terwijl zij ook jaren deel uitmaakte van de redactie van het maandblad De Christenvrouw. Behalve aan dit blad gaf zij ook haar krachten en inzet aan een eenvoudiger blad In en om ons huis, dat in 1921 in samenwerking met de 3 christelijke vakbonden uitkwam. Fig. 26 Stoel van Jeanne met wapen Diepenhorst en De Gaay Fortman

Bij al haar activiteiten schakelde zij ook wel familieleden in. Zo heeft haar schoonzuster Rigtje de Gaay Fortman-Höweler het vaandel voor de NCVB ontworpen. 22 maart 1921 werd de Vereeniging tot oprichting en instandhouding van Christelijke Tehuizen voor Blinden opgericht. In 1922 wordt de naam gewijzigd in Vereeniging tot Christelijk Hulpbetoon aan Blinden. Hoewel het haar initiatief was, verzocht zij haar mannelijke mede-oprichters het antwoord op een brief aan de Ermelose kerkenraad aan hen en niet aan haar te doen richten, immers: ‘Uit ervaring weet ik dat de kerkeraadsmannen, op het platteland vooral, een vrouw veelal minderwaardig achten en met die zwakheid reken ik gaarne ter wille van onze zaak. ’ Van 1921-1923 was Adriana Cornelia secretaresse (secretaris) van het bestuur, van 1933-1954 lid van het dagelijks bestuur en van 1954-1958 erelid van het bestuur. Fig. 27 Jeanne Diepenhorstlaan, nabij Sonneheerdt

Hoogst uitzonderlijk voor een vrouw in haar dagen, werd zij door de koningin benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In Ermelo is er een Jeanne Diepenhorstlaan. Zij overleed 6 jan. 1958 te Epe en is aldaar begraven.

VIII bis 6                    Marie Louise   (1882-1964)

Fig. 29 Tante Loes met haar bijbeltje

Loes bleef ongehuwd en ging in 1912 naar Indië om de zorg voor het gezin van haar broer Pieter Leonard op zich te nemen, toen deze weduwnaar was geworden. Terug in Nederland werd zij directrice van een ‘doorgangshuis’ (kindertehuis) te Dordrecht. Na haar pensionering ging zij in Zeist wonen. Naast de kinderen van haar zuster Jeanne en haar broers Bé en Juul leerde zij nu ook hun kinderen kennen. Zo kwam zij op verzoek van Willy en Marry zo nu en dan oppassen in het Haagse Marlot. ‘Tante Loes’ stierf in Zeist op 23 april 1964. In het graf van haar ouders werd zij begraven op het Haagse Nieuw Eykenduinen.

VIII bis 11                   Nelina Petrina   (1890-1936)

Nelina Petrina

Lina (Lien) behaalde 3 juli 1911 haar acte als onderwijzeres, 28 maart 1913 haar handwerkacte en 31 oktober 1930 het diploma van den Schoolraad voor de scholen met de Bijbel. Zij was werkzaam te Amsterdam in 1912 aan de Oosterparkschool, in 1912/13 aan de Borgerschool, van 1913-1922 aan een christelijke school Hoogeweg 61 Watergraafsmeer, in 1922/23 aan de Waalsche school te s-Gravenhage, in 1923 Groen van Prinstererschool, Eloutschool 1924 en wederom (1924-1934) Groen van Prinstererschool. Zij woonde sedert 1935 te Baarn en overleed in de Lutherse Diaconessen-inrichting te Amsterdam, 27 sept. 1936, pas 46 jaar oud, voor haar broers, zusters, neefjes en nichtjes een grote schok. Tante Lien  werd aldaar begraven op Zorgvlied (Amsterdam).

IX                            Pieter Leonard   (1875-1954)

Fig. 31 Pieter Leonard de Gaay Fortman, Nicolaas Adriaan, Elise ten Broeke

Leo ging als genieofficier in 1896 naar Indië en keerde als luitenant-kolonel in 1920 naar Nederland terug. Voor zijn verdiensten in India werd hij begiftigd met de Militaire Willemsorde ridder 4e klas. Na korte tijd als volontair op de secretarie van Nieuwer Amstel gewerkt te hebben, werd hij in 1920 burgemeester van Bunschoten. Twee jaar later verwisselde hij die plaats met Ridderkerk en na een half jaar, in 1923, werd hij burgemeester van Dordrecht. In 1937 nam hij ontslag omdat hij vond dat in een tijd van grote werkeloosheid jongeren een kans moesten krijgen. Zeist werd zijn woonplaats omdat hij voorzitter was van het blindeninstituut Bartimeus te Zeist en na zijn pensionering wilde hij zijn krachten hieraan geven. In Epe, bij zijn zuster Jeanne en haar zoon Jit, overleed hij 26 juli 1954 en werd in Zeist begraven. Fig. 33 Pieter Leonard de Gaay Fortman Jr & Frederika Henriëtte de Ligt Fig. 32 Frederika Henriëtte de Ligt

 

 

 

 

Uit het Biografisch Woordenboek van het Regionaal Archief Dordrecht, het item over  door Niels van Driel:

 

PIETER LEONARD DE GAAY FORTMAN

17-12-1875 (ELDEN)  –  26-07-1954 (EPE)
 
Pieter Leonard de Gaay Fortman

Borstbeeld naar rechts van P. L. de Gaay Fortman, foto H. G. Beerman, circa 1935 (Regionaal Archief Dordrecht 552-319687).

Geboren te Elden (Gld. ) op 17 december 1875, overleden te Epe op 26 juli 1954. Zoon van Nicolaas Adriaan de Gaay Fortman (1845-1927), predikant, en Theodora Kocken (1850-1928). Trouwde op 21 juli 1898 in Teteringen met Eliza ten Broeke (1877-1911) en hertrouwde op 23 december 1924 in Utrecht met Frederika Henriëtte de Ligt (1882-1965). Uit het eerste huwelijk werd een zoon geboren, Nicolaas Adriaan (1899-1947). Pieter Leonard (roepnaam Leo)
de Gaay Fortman was een man met een dubbele loopbaan. Hij was burgemeester van Bunschoten en Ridderkerk. Als burgemeester van Dordrecht loodste hij de stad door de moeilijke crisisjaren. Voordat hij actief werd in het openbaar bestuur, bouwde hij een indrukwekkende carrière op in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) waar hij diende bij de Genie. Hij werd voor zijn onverschrokkenheid benoemd tot Ridder der Militaire Willemsorde. Leo’s vader ging als predikant te Amsterdam mee met Abraham Kuyper bij de Doleantie van 1886. Leo bleef de Gereformeerde Kerken levenslang trouw. Mede doordat zijn familie beïnvloed was door de 19de-eeuwse opwekkingsbeweging van het Reveil en hijzelf bovendien doo.

Loading

Geef een reactie